41. Een oud gevoel

Boer Jellersma uit Marum voelde veel sympathie voor de Ommelander Mars. De boodschap die door de deelnemers werd uitgedragen, had bij hem een gevoelige snaar geraakt. Hij vond het daarom geen probleem dat de groep, bestaande uit zo’n tweeduizend mensen, op zijn graslanden langs de A7 was neergestreken. De groep gedroeg zich ordentelijk. Het tentenkamp dat was opgezet, was in wezen een klein dorpje, waarin iedereen een bepaalde rol vervulde. Zo waren er personen die de was deden, waren er koks en werd zelfs gedacht aan beveiliging. Dit ging allemaal zonder overlast voor Jellersma. Maar nadat ongeveer een maand was verstreken, vond hij het welletjes. 

Gemeenteambtenaren hadden de boer te kennen gegeven dat hij niet over een kampeervergunning beschikte en daarom, door de tenten toe te laten, de wet overtrad. ‘Mooie boel,’ had Jellersma tegen de burgemeester gezegd. ‘Nou is’t ineens mijn probleem.’ De burgemeester, verantwoordelijk voor het toerisme, had dat niet ontkend. ‘Je had ze gewoon niet moeten toelaten,’ had hij gezegd. ‘Ze veroorzaken met hun boodschap alleen maar onrust. Zorg nou maar dat ze weggaan uit mijn gemeente.’

Op een buiige zomerdag klom Jellersma daarom in één van zijn trekkers – een rode  Fendt – en reed naar het kamp, om de aanvoerder van de Mars te spreken. De boer trof hem in zijn tent, die in het midden van het kamp was opgezet. De leider van de Mars, die zich Radboud noemde, kwam net uit een middagdutje. Hij veegde de lange grijze haren voor zijn ogen weg, geeuwde luid en trok zijn bruine corduroy pak recht.

‘Dag Jellersma, goed je weer te zien,’ zei Radboud.

‘Insgelijks,’ zei de boer. ‘Lekker geslapen?’

‘Ik heb heerlijk geslapen. Ik gebruik goede oordoppen en dan deert het verkeer op de snelweg niet. Ik heb zo’n dutje ook echt even nodig, om weer contact te maken met het universum.’

Jellersma trok zijn wenkbrauwen omhoog en knikte. ‘Nou, dat is dan mooi. Zeg, ik moet even met je praten.’

‘Ik weet het,’ zei Radboud. ‘We moeten weg. We hebben al veel te lang van je gastvrijheid genoten. En daarbij komt: ook de gemeente begint moeilijk te doen.’

‘Eh ja, inderdaad,’ zei de boer. ‘Klopt helemaal. Goed geraden.’ 

‘Ah nee, Jellersma. Het is dat universum. Dat geeft dingen door, als ik slaap. Ik weet dat het moeilijk te geloven is. Maar dat doet er niet aan af.’ 

‘Er is ook nog een andere reden waarom het tijd wordt de boel af te breken,’ zei de boer.

‘Iets met televisie, de liefde en je oudste zoon,’ zei Radboud.

‘Uh, klopt. Volgende week komen ze hier voor ‘Boer zoekt vrouw’. We hebben onze oudste zoon, de opvolger van het bedrijf, daarvoor opgegeven.’

‘Dat klopt,’ zei Radboud. ‘Dat weet ik. En ik snap het natuurlijk. Het vinden van een goede partner is een precair spel, dat slechts weinig afleiding gedoogt. Het is prima, Jellersma. Ik heb vanochtend al aan mijn volgers te kennen gegeven, dat we weer gaan opbreken. Ik verwacht dat we morgen aan het begin van de middag weg gaan. Is dat vroeg genoeg?’

Boer Jellersma was opgelucht. ‘Dat is heel goed,’ zei hij. ‘Ik kom dan nog wel even langs. Heb je enig idee waar jullie nu naar toe gaan? Of is de Mars voorbij?’

‘Het is nog niet voorbij,’ zei Radboud. ‘Ik heb van het universum doorgekregen dat we van hier noordwaarts gaan, en dan een stukje naar het oosten. We moeten dan gek genoeg naar ‘huizen in het westen’. Met die tegenstrijdigheid moet ik het helaas doen. Heb jij een idee wat dat kan betekenen?’

Jellersma schudde zijn hoofd. ‘Geen idee wat daarmee wordt bedoeld. Zoals je weet snap ik hoe dan ook niets van dat universum gebeuren.’

Radboud schudde Jellersma’s hand. ‘Goed dan. Dank voor de tijd die we hier hebben mogen doorbrengen. Hopelijk treffen we elkaar morgen nog even.’

Jellersma wilde wat zeggen, maar aarzelde.

Radboud zei: ‘Zeg het maar, Jellersma.’

‘Nou, ik vroeg me af, komt het ooit nog goed met onze provincie? Als ik die zeven plagen goed op me laat inwerken, dan vrees ik dat er binnenkort niets meer van Groningen over is.’

‘Een terechte vrees,’ zei Radboud. ‘Denk in termen van rook en een groot zwart gat. Maar het is onduidelijk hoe het precies zal gaan. Een allesvernietigende aardbeving? Een ontplofte kerncentrale? Of zorgt de onrust die de angst voor de plagen teweegbrengt voor het einde?’

Jellersma knikte langzaam en vertrok. 

Op de trekker, terug naar huis, dacht hij na over de woorden van Radboud. Hij vond ze lastig te duiden. De onrust die de angst teweegbrengt. Nee: de plagen die angst veroorzaken. Of… 

Hij schudde zijn hoofd. Eigenlijk zei Radboud dat het linksom of rechtsom hoe dan ook mis zou gaan, dacht hij. Het komt dus nooit meer goed. De hele provincie naar de tering, van Lauwersoog tot aan de Dollard en van Drenthe tot aan het Wad.

Een oud gevoel, komend vanuit het onbewuste of iets anders, maakte zich van Jellersma meester. Een gevoel dat teruggreep op verloren tijden, maar dat nog ergens diep lag verankerd. Een gevoel uit de tijd dat het soms nodig was om op te staan en dat wat goed is, zien te behouden.

Hij reed zijn erf op en mompelde: ‘Nu ga ik eerst al mijn mestvorken verzamelen. Dan ga ik ze schoonmaken en het hout in de olie zetten. En dan pak ik de vijl en ga ik ze slijpen.’

40. Redactioneel

Al enkele maanden doorkruist de Ommelander Mars het Groningerland. Met een blik op de kaart van onze provincie lijkt het erop dat dit ‘doorkruisen’ misschien wel heel letterlijk genomen moet worden. De Mars, waarmee – zoals bekend – gewaarschuwd wordt voor zeven plagen die Groningen zullen teisteren (en die onze provincie deels al kwellen), is begonnen rond Lauwersoog. Daarna ging het schuin naar het zuidoosten, naar Munnekemoer onder Ter Apel. Vervolgens liep de tocht naar het noordoosten, naar de Eemshaven. Vanuit daar is de Mars, met inmiddels zo’n tweeduizend deelnemers, richting het zuidwesten gegaan. 

De groep bivakkeert nu alweer enkele weken op een stuk grasland tussen de A7 en de Haarsterweg in Marum. Onze krant berichtte daar gisteren nog over. Wie een stift pakt en lijnen trekt tussen de vier genoemde punten – van Lauwersoog naar Munnekemoer, dan naar de Eemshaven en vanuit daar naar Marum – die ziet dat er een groot kruis is gezet door het Groningerland. 

Een groot kruis. Is dat toeval? Of is het bewust gecreëerde symboliek om de boodschap kracht bij te zetten? Of is het een voorbode van wat komen gaat, en is het einde der tijden echt nabij voor de Groningers? 

Vorige week dinsdag berichtte onze krant dat relatief veel Groningers noodpakketten inslaan, waarbij als voornaamste reden niet de dreigingen op het wereldtoneel, maar de onrust in het thuistheater werd genoemd. In zoverre zijn de zeven plagen al een dagelijkse realiteit. Groningen bereidt zich voor op rampspoed. Zevenvoudig, als de boodschap van de Ommelander Mars juist is.

Het is gissen welke kant de beweging opgaat, wetende dat de leider van de groep, die zich Radboud noemt, tot nu toe weigert te praten over het precieze doel van de Mars. Dat Groningen zich heeft blootgesteld aan zeven plagen, lijkt nu wel duidelijk. Toch blijft hij lopen. Vele vragen dienen zich nu aan. Wie is Radboud? Hoe komt hij aan de kennis over de plagen? En, gesteld dat we ons daadwerkelijk moeten opmaken voor een zware tijd: kan Radboud zorgen voor verlossing?

Het is een cliché, maar daarom niet minder waar: de tijd zal het ons leren. Eens kijken we terug en is alles duidelijk. Tot het zover is, is onzekerheid helaas troef. Laten we naar elkaar omkijken en hopen op een goede afloop.

Loek Zuurman, hoofdredacteur van De Groninger Avondbode

39. Satoshi Nakamoto

Wat als de wereld zijn geheim zou leren kennen? Het geheim van Hugo Middelbron? Zijn leven zou drastisch veranderen – en dat was nog voorzichtig uitgedrukt. Hij zou de komende jaren vermoedelijk elke dag ergens op aarde opduiken in een televisieprogramma. Iedereen zou hem willen strikken voor een interview. Dat zou, als hij het goed speelde, een grote bron van inkomsten blijken. 

Steeds als hij daaraan dacht, werd de ironie bijna teveel voor hem. Hij werd geacht één van de rijkste mensen op aarde te zijn, ook al wist niemand wie hij was, maar de werkelijkheid was dat hij iedere cent tweemaal moest omdraaien. 

Hij leidde een volstrekt anoniem leven, tussen Eenrum en Broek, in een oud boerderijtje met wat grond. Het bouwwerk was verzakt en tochtig door de scheuren, veroorzaakt door de vele aardbevingen die het had moeten doorstaan. Hij woonde alleen, met zijn kippen, eenden en varkens. 

Als bekend zou worden wie hij was, zou zijn leven ook op andere manieren veranderen. Velen zouden een stukje van zijn vermogen willen. Anderen zouden hem om advies vragen. Ook het criminele circuit zou hem in het vizier krijgen, met kans op afpersing, ontvoering of erger. Allemaal goede redenen om niet wereldkundig te maken wie hij was. Temeer omdat hij niet bij zijn geld kon.

Hugo was de uitvinder van de Bitcoin. Hij had meerdere studies gevolgd, waaronder wiskunde aan de universiteit van Groningen. Hij bleek een briljante en bevlogen student, maar kon na zijn afstuderen zijn draai niet goed vinden. Niets gaf hem voldoende uitdaging. Uiteindelijk moest hij toch werken, en zo kwam hij terecht bij een kleinschalig ict-bedrijfje in Rasquert. In die periode was hij – voortbouwend op de ideeën van anderen – bij wijze van hobby gaan werken aan een volledig digitaal, gedecentraliseerd betaalmiddel. Geen betrokkenheid van banken, geen bemoeienis van de overheid – vrije cryptovaluta, in te zetten tussen burgers onderling. Uniek en revolutionair. En voldoende uitdagend.

Hugo had zijn plan in 2008 uitgelegd in een document, dat hij had gepubliceerd op het internet. Menigeen met verstand van zaken reageerde aanvankelijk sceptisch. Het zou niet kunnen werken. Al snel ging hij met zijn plan aan de slag, en bewees hij het tegendeel. De rest is, zoals men zegt, geschiedenis.

Hij was toen halverwege dertig en getrouwd met Ina, de dochter van een loonwerker uit Usquert. Samen hadden ze twee dochtertjes en ze woonden in Baflo.

In het document dat hij op internet had geplaatst, had Hugo niet zijn echte naam gebruikt. Met een Japanse vriend, de eigenaar van een sushi restaurant in de stad Groningen, had hij gefilosofeerd over een geschikt pseudoniem. Zowel in geval het Bitcoin-plan jammerlijk zou mislukken, als in het geval hij digitaal goud in handen bleek te hebben, leek het hem een goed idee niet zijn echte naam te gebruiken. 

Zijn voornaam Hugo betekende zoveel als ‘de wijze’, ‘de slimme’ of ‘de scherpzinnige’. Voor de Japanse variant bleek de voornaam ‘Satoshi’ dat het beste uit te drukken. Zijn achternaam – Middelbron – was aanleiding voor iets meer puzzelen. Het Japanse woord ‘naka’ betekende zoveel als ‘midden’ of ‘centrum’. ‘Moto’ stond voor ‘oorsprong’, wat goed aansloot bij het tweede deel van zijn achternaam. 

En zo was, uit de alledaagse naam ‘Hugo Middelbron’, een – zo bleek later – legendarische naam geboren: ‘Satoshi Nakamoto’. De naam is voor altijd verbonden aan de uitvinding van de Bitcoin, maar niemand weet wie of wat er achter de naam schuilgaat.

Hugo’s Japanse vriend zou er voor eeuwig over zwijgen. Kort na het bedenken van het Japanse pseudoniem stikte de restauranteigenaar in een Hollandse oester.

Het noodlot had nog meer in petto. In 2010 kwamen Ina en hun dochtertjes om het leven bij een eenzijdig ongeval op de N361, nabij Ulrum, op weg naar de visafslag van Lauwersoog. De schok en het niet te bevatten verlies leidden ertoe dat Hugo hun huis te Baflo verkocht en zich terugtrok op het aftandse boerderijtje buiten Eenrum. Om het hoofd boven water te houden, bouwde hij af en toe in opdracht een website. 

Tegelijkertijd was Hugo degene die beschikte over de meeste Bitcoins op aarde. Maar dat was slechts in theorie. De Bitcoins zaten in een zogeheten ‘wallet’, te openen met een unieke code. De code had hij op een wit papiertje geschreven. Na het ongeval, bij de verhuizing naar zijn boerderijtje, was er weer iets ergs gebeurd: hij was het papiertje kwijtgeraakt. Zonder code kon hij niet bij zijn Bitcoins – een aanzienlijke hoeveelheid, die hij vanaf het prille begin had verkregen. 

Al jaren zocht hij steeds opnieuw in de verhuisde spullen, maar zonder succes. Ook de nieuwe eigenaar van het verkochte huis in Baflo had niets aangetroffen; het papiertje was niet per abuis bij de verhuizing achtergelaten. 

Nog steeds ging hij met regelmaat de verhuisdozen bij langs, volgestouwd met de spullen van zijn vrouw en zijn kinderen, om nog eens te bezien of het papiertje met de code niet toch daartussen was beland. Het rommelen tussen de spullen van zijn geliefden deed hem keer op keer ongelooflijk veel pijn. 

Zo sleet Hugo Middelbron zijn dagen, tussen het niet aflatende verdriet om het verlies van zijn jonge gezin en het zoeken naar de sleutel van zijn ongekende vermogen. 

Soms fantaseerde hij wat hij met het geld zou doen, als het ooit toch zou lukken zijn Bitcoins te verzilveren. Misschien, in de geest van de Bitcoin, iets van burger tot burger. Zaken aanpakken die de overheid door onwil of onkunde maar niet voor elkaar kreeg. In één klap de hele provincie van fatsoenlijk internet voorzien? Dat zou simpel zijn. De armoede aanpakken? Verschimmelde woningen laten opknappen? De bevingsschade zonder gedraal eerlijk vergoeden? 

De mogelijkheden om iets voor de medemens te betekenen, zouden voor hem eindeloos blijken. Maar zonder code restte slechts een leven op de rand van armoe en ellende.