61. De verlossing van Groningen

De raket had een goede start gehad vanaf de lanceerbasis in de Emmapolder. Met een bulderend lawaai klom het oude Sovjet-Russische brok staal langzaam omhoog, met als bestemming de maan. Het was de bedoeling dat de raket na een reis van een dag of drie enkele rondjes rond de maan zou vliegen, waarbij op het juiste moment eerder gefilmde beelden van de zogenaamde maanlanding – eerder opgenomen in een Groninger filmstudio – ‘live’ zouden worden uitgezonden. Om ongewenste situaties te vermijden, waren de astronauten naar een Turks vakantieparadijs gestuurd, alwaar ze zich onder gefingeerde namen bekwaamden in de kunst van het betere ontspannen.

Nadat de raket ongeveer 30 kilometer geklommen had, begonnen door de intense trillingen bouten en moeren los te laten. Het gevolg was dat diverse stalen panelen niet de gezamenlijke tocht naar boven voortzetten, maar een afzonderlijke duikvlucht naar beneden begonnen. De raket zelf raakte daardoor instabiel, steeg niet meer verder en raakte uiteindelijk in een onvoorspelbare, zwabberende val, terwijl de raketmotoren door bleven draaien.

Op de lanceerbasis in de polder brak grote paniek uit. De raket, zo was wel duidelijk, zou immense schade kunnen aanrichten als hij de aarde zou treffen. Maar waar zou dit gebeuren? Waar zou hij inslaan? Een groot punt van zorg was dat het ruimtevaartuig nog bomvol stuwbrandstof zat. De raket was met andere woorden getransformeerd tot een gigantische stuurloze bom, een ongeleid projectiel, voortgestuwd door zijn motoren. Het geheel had een ongekende destructieve potentie.

Gedeputeerde Rupert Draaiman besloot de afloop niet af te wachten. Vanuit mission control in de Emmapolder, dat koortsachtig data verzamelde om de plaats van inslag te bepalen, hoorde hij dat de raket hoogstwaarschijnlijk ergens in de provincie Groningen – in de Friese Ommelanden of op de stad Groningen – terecht zou komen. Hij gaf zijn chauffeur de opdracht de auto voor te rijden, pakte snel wat spullen en rende het provinciehuis uit. ‘Naar Limburg!’ riep hij tegen zijn chauffeur. Even later reden ze vlot de A28 op, richting het veilige zuiden.

De raket raakte meer en meer onderdelen kwijt, totdat alleen de gigantische brandstoftank en de daaraan gekoppelde motoren, die nog steeds draaiden, overbleven. Uiteindelijk stabiliseerde de raket, zodat zijn dodelijke ramkoers steeds beter kon worden voorspeld.

Het leek uit het niets te gebeuren. Als een gigantische buitenaardse meteoriet sloeg de raket met een onvoorstelbare snelheid in de aarde, vlak boven afrit 41 van snelweg A7. De ironie van het lot kende geen grens: de raket kwam midden op het boerenland terecht waar in 1959 het Groninger gas was ontdekt.

De inslag ging gepaard met een enorme ontploffing. De dreun was tot ver in Friesland, Duitsland en het binnenland van Nederland te horen.

De effecten vielen nauwelijks in taal te vatten.

Bevingsmeters sloegen op hol en sprongen uit elkaar. Een enorme vuurzee verspreidde een allesvernietigende hitte, zowel op het land als in de bodem. De vlammen vonden de nabijgelegen gasputten. Deksels vlogen in de lucht, kranen smolten, transportpijpen scheurden. Het hongerige vuur sloeg over van winningslocatie naar winningslocatie, steeds opnieuw gevoed door aangetroffen aardgas. Allesverwoestend joeg het vuur door het Groningerland, hijgend op zoek naar levensadem. Alarmen gingen af, sirenes huilden. Metaal knalde op metaal, beton en asfalt scheurden. Zwarte opstijgende wolken blokkeerden de zon. Alle bouwwerken, waaronder de reeds door aardbevingen verzwakte huizen, kerktorens en boerderijen, vielen als dominosteentjes om.

Zeven dagen lang sloeg het vuur als een dolle om zich heen. Aan het einde, op de achtste dag, lagen de Ommelanden zwartgeblakerd en rokend op het sterfbed van economisch gewin. Slechts een handjevol bewoners had zich tijdig uit de voeten kunnen maken.

Van het Lauwersmeer tot aan de Dollard en van Drenthe tot aan het Wad begon de bodem, die door de gaswinning al sterk was verzakt, nog verder te dalen. Het vuur had al het gas uit het bodemgesteente gezogen, dat verpulverde en verdween. Er ontstond een diepe kom, die langzaam vol liep met het water van de Waddenzee en het Lauwersmeer. De verzwakte dijken begonnen te scheuren en konden geen bescherming meer bieden. Het water bluste sissend en kokend de verschroeide aarde.

Enkele weken later waren de laatste rook- en stoomwolken verdwenen. Een flauwig zonnetje reflecteerde op het water van de nieuwe baai, ingesloten door Friesland, Drenthe en Duitsland. Het water klotste lieflijk tegen de grenzen van de ongeschonden stad Groningen, die onlangs de nieuwe hoofdstad van Drenthe was geworden.

Groningen was verlost van het gas, en het land was verlost van Groningen.

Er viel niets meer te winnen – alles was verloren.

60. Lancering

De overname van de Ommelanden door de Friezen was voor gedeputeerde Rupert Draaiman een immense schok geweest. De revolutie had namelijk een dikke, zwarte streep gezet door de plannen die hij zelf als machtig bestuurder met de provincie had. De Friezen hadden klip en klaar te kennen gegeven dat de gaswinning voor eens en voor altijd zou stoppen. Dat stond haaks op Ruperts schaduwbeleid om de gasputten vooral open te houden en de overheid goed te laten verdienen aan de opgepompte opbrengst, terwijl de Groningers zaten opgescheept met ondoorgrondelijke schadeprocedures. Een ander punt betrof de lancering van de eerste Groninger maanraket. Het laten vliegen van de raket zou het ultieme eerbetoon zijn aan zijn vermoorde vader en bovendien het symbool voor een nieuw begin van Groningen, bedoeld om de ellende van de gaswinning te vergeten. Maar sinds de omwenteling stond de raket nog meer roest te vergaren dan die al had, eenzaam in de Emmapolder op het Govert Draaiman Space Center. Ook de lanceerbasis was natuurlijk in Friese handen. Het gehele complex zou vermoedelijk snel gesloopt worden om elke herinnering uit te wissen aan – wat men noemde – de koloniale overheersing van wingewest Groningen.

Toen het tot Rupert was doorgedrongen dat de Friese bezetters niet van plan waren te vertrekken, tekende hij zich snel in voor de opleiding tot reservist. De Nederlandse regering zou, zo was zijn inschatting, snel overgaan tot herovering van de Ommelander gebieden en hij wilde dolgraag als een van de eersten het bezette gebied binnen marcheren om de Friezen eruit te werken. Hij zou dan zorgen voor voldoende oorlogsfotografen in zijn regiment die zijn glorieuze opmars zouden kunnen vastleggen. Hij zou de grote verlosser van Groningen kunnen worden.

Weken en maanden gingen echter voorbij waarin de Nederlandse regering geen enkele drang toonde om de Ommelanden weer bij Nederland te voegen. Hierover beklaagde Rupert zich hoogstpersoonlijk bij de minister-president. Die onthield zich eerst van commentaar vanwege ‘het staatsbelang’, maar Rupert was wel een van de eersten die een appje kreeg van de premier waarin gemeld werd dat ‘het probleem Groningen’ was opgelost door de Ommelanden, inclusief de gasvelden, in een lucratieve deal te verkopen aan de Verenigde Staten. De stad Groningen werd voor Nederland behouden, waarbij Stad met behoud van de status ‘provinciehoofdstad’ zou worden toegevoegd aan de provincie Drenthe.   

In zijn appjes met de minister-president kwam ook de lanceerinstallatie in de Emmapolder ter sprake. Was het kunnen lanceren van de eerste maanraket van Nederlandse bodem niet al reden genoeg, zo vroeg Rupert, om de Ommelanden terug te veroveren? De premier vond van niet. ‘Rupert,’ had hij bericht, ‘dat kunnen die Amerikanen toch zoveel beter dan wij. Laat hen het ruimtevaartcentrum maar overnemen om van daar hun space shuttles of wat ze tegenwoordig ook maar hebben weg te schieten.’ 

Rupert was bijna gestikt in zijn woede. Het weggeven van de raketbasis zou vrijwel zeker leiden tot het verdwijnen van elke herinnering aan zijn vader. De Amerikaanse president vernoemde de laatste tijd vanuit een zekere zelfbewustheid van alles naar zichzelf, zodat het ‘Govert Draaiman Space Center’ snel verleden tijd zou zijn. De Russische raket die al een tijdje klaar stond, zou bij een handelaar in oude metalen belanden. De symboliek van de maanraket, gericht op hoop en een nieuwe toekomst voor de Groningers, zou in een klap worden weggevaagd.

Dat mocht nooit gebeuren, vond Rupert. En daarom had Rupert besloten majoor Bik Hamer in te schakelen, waarvan hij had gehoord dat die tegenwoordig als ‘zelfstandig militair’ bij de Kamer van Koophandel stond ingeschreven. Rupert kende Hamer nog uit de tijd dat hij de selectie deed van de Groninger astronauten.

Het kostte majoor Hamer en zijn huurlingen maar weinig moeite om de raketinstallatie op oudjaarsavond in te nemen. De tocht met de tank door de Ommelanden baarde nauwelijks opzien. Het carnaval stond weer voor de deur, zodat menigeen die het gevaarte voorbij zag komen, dacht dat de bestemming carnavalsdorp Kronkeldörp zou zijn – Kloosterburen – en de tank, als actuele knipoog, zou meerijden in een bonte optocht. 

Eenmaal bij het Govert Draaiman Space Center aangekomen, kon de basis zonder moeite worden ingenomen door het team van Hamer. De Friezen hadden slechts één bewaker aangesteld – ene Bouke uit Britsum – die er als een haas vandoor was gegaan toen hij de tank over de omliggende akkers zijn kant op zag ploegen. In Britsum doen ze niet aan carnaval.

Nadat het ruimtevaartcentrum was heroverd op de Friezen, werden snel vertrouwde techneuten toegelaten om de raket te prepareren voor de lancering. In de ochtend van nieuwjaarsdag was het zover. Tegen 11:13 werd de raket de lucht ingeschoten. Direct daarna overspoelde het pr-team van Rupert Draaiman de nationale en internationale media met de trotse mededeling dat de provincie Groningen, vanuit een heroverde enclave in door Friezen bezet gebied, een maanraket had gelanceerd. ‘Draaimans ultieme middelvinger!’, zo ging het rond op het Groningsgezinde deel van Facebook en X

Al snel werden live streams beschikbaar gemaakt die toonden hoe de raket na de lancering langzaam naar boven klom, richting de ruimte. Ook kwamen oudere beelden beschikbaar van de drie Grunnauten, de Groninger astronauten, die zwaaiden naar de camera, hun helm op deden en vlak voor de lancering de raket instapten. Dat die beelden van de astronauten niet live waren vertoond, maar pas na de lancering werden gedeeld, leidde zelfs bij de meest verstokte complottheoristen niet tot argwaan. ‘Als ze het live hadden getoond, waren de Friezen gekomen om de lancering te verstoren,’ zo zong het rond op social media. In werkelijkheid waren alleen de beelden van de opstijgende, onbemande maanraket echt. Al het andere beeldmateriaal, waaronder dat van de Grunnauten, was maanden eerder al in het geheim in een studio opgenomen, om het publiek te misleiden en om gezichtsverlies te voorkomen. De geselecteerde astronauten hadden namelijk geweigerd om daadwerkelijk in de oude raket te gaan vliegen.

Tevreden, met een glaasje Fladderak in de hand om het te vieren, keek Rupert Draaiman naar de echte live beelden van de gelanceerde raket. De regie schakelde af en toe naar eerder opgenomen beelden van de Grunnauten in de capsule van de raket, die houterig deden alsof ze met moeite de zwaartekracht trotseerden.

Na een tijdje begon Rupert te fronzen. Zou de raket niet allang onzichtbaar moeten zijn? Zou die niet allang in een baan om de aarde moeten zijn, om vanuit daar naar de maan te reizen? 

Op de televisie werd zogenaamd weer geschakeld naar de binnenkant van de capsule. Getoond werd dat een van de astronauten zogenaamd zijn arm liet zweven, om te tonen dat een toestand van gewichtloosheid was bereikt.

Bewegingloos staarde Rupert naar het stipje op het televisiescherm, dat de raket betrof. Hij versmalde zijn oogleden, om beter te kunnen zien. Hij greep naar zijn telefoon om mission control in de Emmapolder te bellen. Want, zo wilde hij weten: werd het stipje nou groter?  

59. Een zwaar en donker gebrul

Een ijzige oostenwind joeg over de kale kwelder boven Den Andel. De lucht, die dagenlang diepgrijs op het land had gedrukt, verwaterde langzaam waardoor de zon soms vagelijk zichtbaar werd. 

De kou had het gebied leeg geveegd, op een tweetal figuren na. 

Gehurkt bij wat sprokkelhout zat de oude vrouw. Ze was al enkele uren bezig een vuurtje te maken, maar mede door de harde windstroom lukte dat niet. Aan haar voeten lag een katoenen tasje, dat de wind wilde grijpen. Een op het tasje geplaatste kei kon dat voorkomen.

Naast haar, ineengedoken, zat een oude verweerde Amerikaanse zeearend, met zijn rug in de genadeloze wind. Zijn kop, ooit verblindend wit, was nu een gelig grijs. Zijn verenkleed was flets. Hij had krassen op zijn kop en op zijn poten, het resultaat van vele schermutselingen met prooi en soortgenoten. Zijn ogen straalden vermoeidheid uit. 

‘Je kunt geen vuur maken zonder vonk, zingen ze bij ons,’ zei de arend. ‘Ik denk dat dat klopt.’

De oude vrouw mompelde onverstaanbaar. Ze ging onverstoorbaar verder. 

‘De tondel is nat,’ zei de arend. ‘Het zal de sneeuw en de ijsregen van vanochtend zijn geweest.’

De vrouw bleef het onvermoeibaar proberen. 

‘Ik wou op bezoek bij mijn oude vriend,’ zei de arend. ‘Een stukje terug, daar in het westen. Ik trof hem niet. Van een vreemde paarse vogel hoorde ik dat hij niet meer vliegt, maar is gaan zwemmen.’

De oude vrouw pakte de kei van het tasje en legde die aan de kant. Ze haalde kurkdroge stukjes schors en hooi tevoorschijn. Daarmee ondernam ze een nieuwe poging om het vuurtje gaande te krijgen.

‘Ik vind het jammer dat ik hem niet meer kan spreken,’ zei de arend. ‘Ik had hem veel kunnen vertellen over wat ik allemaal beleefd heb. Om te praten over de kleuren die anders worden. Over de onrust. Graag zou ik ook zijn verhalen hebben gehoord. Want hier gebeuren ook buitengewone dingen, voel ik. Ik zag ook wolven bij het water. Zeven stuks. Een uiting van zorgen.’

Eindelijk, met hulp van de droge materialen en een zich wat inhoudende wind, lukte het de oude vrouw om een vlammetje te creëren. Voorzichtig sloeg het over op het sprokkelhout. Door het vuurtje met haar lichaam en haar handen af te schermen tegen de straffe wind, bleef het leven en begon het langzaam te groeien.

Een tijdje was het stil, los van het geraas van de wind. 

De oude vrouw bij het vuur, de vlammen voedend. De oude arend, wiegend in de ijskoude wind.

Precies op het moment dat het vuur goed aansloeg, trilde de grond en was een zwaar en donker gebrul hoorbaar. Het klonk als het bozig bulderend grommen van een groot, naar beest.

Het geluid kwam uit het oosten rollen en hield aan, vrij zijn weg banend in de noordelijke leegte. 

‘Kijk,’ zei de arend, met zijn rechtervleugel wijzend naar het oosten. De oude vrouw stond op en keek. 

In de lucht was in de verte een smal, kogelvormig object zichtbaar, omringd door rook en schijnbaar voortgestuwd door vuur. 

Langzaam klom het hoger en hoger. 

De oude vrouw en de arend hielden hun adem in. Zo ook gedeputeerde Rupert Draaiman, in de warmte van zijn werkkamer in het provinciehuis van Groningen.