59. Een zwaar en donker gebrul

Een ijzige oostenwind joeg over de kale kwelder boven Den Andel. De lucht, die dagenlang diepgrijs op het land had gedrukt, verwaterde langzaam waardoor de zon soms vagelijk zichtbaar werd. 

De kou had het gebied leeg geveegd, op een tweetal figuren na. 

Gehurkt bij wat sprokkelhout zat de oude vrouw. Ze was al enkele uren bezig een vuurtje te maken, maar mede door de harde windstroom lukte dat niet. Aan haar voeten lag een katoenen tasje, dat de wind wilde grijpen. Een op het tasje geplaatste kei kon dat voorkomen.

Naast haar, ineengedoken, zat een oude verweerde Amerikaanse zeearend, met zijn rug in de genadeloze wind. Zijn kop, ooit verblindend wit, was nu een gelig grijs. Zijn verenkleed was flets. Hij had krassen op zijn kop en op zijn poten, het resultaat van vele schermutselingen met prooi en soortgenoten. Zijn ogen straalden vermoeidheid uit. 

‘Je kunt geen vuur maken zonder vonk, zingen ze bij ons,’ zei de arend. ‘Ik denk dat dat klopt.’

De oude vrouw mompelde onverstaanbaar. Ze ging onverstoorbaar verder. 

‘De tondel is nat,’ zei de arend. ‘Het zal de sneeuw en de ijsregen van vanochtend zijn geweest.’

De vrouw bleef het onvermoeibaar proberen. 

‘Ik wou op bezoek bij mijn oude vriend,’ zei de arend. ‘Een stukje terug, daar in het westen. Ik trof hem niet. Van een vreemde paarse vogel hoorde ik dat hij niet meer vliegt, maar is gaan zwemmen.’

De oude vrouw pakte de kei van het tasje en legde die aan de kant. Ze haalde kurkdroge stukjes schors en hooi tevoorschijn. Daarmee ondernam ze een nieuwe poging om het vuurtje gaande te krijgen.

‘Ik vind het jammer dat ik hem niet meer kan spreken,’ zei de arend. ‘Ik had hem veel kunnen vertellen over wat ik allemaal beleefd heb. Om te praten over de kleuren die anders worden. Over de onrust. Graag zou ik ook zijn verhalen hebben gehoord. Want hier gebeuren ook buitengewone dingen, voel ik. Ik zag ook wolven bij het water. Zeven stuks. Een uiting van zorgen.’

Eindelijk, met hulp van de droge materialen en een zich wat inhoudende wind, lukte het de oude vrouw om een vlammetje te creëren. Voorzichtig sloeg het over op het sprokkelhout. Door het vuurtje met haar lichaam en haar handen af te schermen tegen de straffe wind, bleef het leven en begon het langzaam te groeien.

Een tijdje was het stil, los van het geraas van de wind. 

De oude vrouw bij het vuur, de vlammen voedend. De oude arend, wiegend in de ijskoude wind.

Precies op het moment dat het vuur goed aansloeg, trilde de grond en was een zwaar en donker gebrul hoorbaar. Het klonk als het bozig bulderend grommen van een groot, naar beest.

Het geluid kwam uit het oosten rollen en hield aan, vrij zijn weg banend in de noordelijke leegte. 

‘Kijk,’ zei de arend, met zijn rechtervleugel wijzend naar het oosten. De oude vrouw stond op en keek. 

In de lucht was in de verte een smal, kogelvormig object zichtbaar, omringd door rook en schijnbaar voortgestuwd door vuur. 

Langzaam klom het hoger en hoger. 

De oude vrouw en de arend hielden hun adem in. Zo ook gedeputeerde Rupert Draaiman, in de warmte van zijn werkkamer in het provinciehuis van Groningen. 

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *