De raket had een goede start gehad vanaf de lanceerbasis in de Emmapolder. Met een bulderend lawaai klom het oude Sovjet-Russische brok staal langzaam omhoog, met als bestemming de maan. Het was de bedoeling dat de raket na een reis van een dag of drie enkele rondjes rond de maan zou vliegen, waarbij op het juiste moment eerder gefilmde beelden van de zogenaamde maanlanding – eerder opgenomen in een Groninger filmstudio – ‘live’ zouden worden uitgezonden. Om ongewenste situaties te vermijden, waren de astronauten naar een Turks vakantieparadijs gestuurd, alwaar ze zich onder gefingeerde namen bekwaamden in de kunst van het betere ontspannen.
Nadat de raket ongeveer 30 kilometer geklommen had, begonnen door de intense trillingen bouten en moeren los te laten. Het gevolg was dat diverse stalen panelen niet de gezamenlijke tocht naar boven voortzetten, maar een afzonderlijke duikvlucht naar beneden begonnen. De raket zelf raakte daardoor instabiel, steeg niet meer verder en raakte uiteindelijk in een onvoorspelbare, zwabberende val, terwijl de raketmotoren door bleven draaien.
Op de lanceerbasis in de polder brak grote paniek uit. De raket, zo was wel duidelijk, zou immense schade kunnen aanrichten als hij de aarde zou treffen. Maar waar zou dit gebeuren? Waar zou hij inslaan? Een groot punt van zorg was dat het ruimtevaartuig nog bomvol stuwbrandstof zat. De raket was met andere woorden getransformeerd tot een gigantische stuurloze bom, een ongeleid projectiel, voortgestuwd door zijn motoren. Het geheel had een ongekende destructieve potentie.
Gedeputeerde Rupert Draaiman besloot de afloop niet af te wachten. Vanuit mission control in de Emmapolder, dat koortsachtig data verzamelde om de plaats van inslag te bepalen, hoorde hij dat de raket hoogstwaarschijnlijk ergens in de provincie Groningen – in de Friese Ommelanden of op de stad Groningen – terecht zou komen. Hij gaf zijn chauffeur de opdracht de auto voor te rijden, pakte snel wat spullen en rende het provinciehuis uit. ‘Naar Limburg!’ riep hij tegen zijn chauffeur. Even later reden ze vlot de A28 op, richting het veilige zuiden.
De raket raakte meer en meer onderdelen kwijt, totdat alleen de gigantische brandstoftank en de daaraan gekoppelde motoren, die nog steeds draaiden, overbleven. Uiteindelijk stabiliseerde de raket, zodat zijn dodelijke ramkoers steeds beter kon worden voorspeld.
Het leek uit het niets te gebeuren. Als een gigantische buitenaardse meteoriet sloeg de raket met een onvoorstelbare snelheid in de aarde, vlak boven afrit 41 van snelweg A7. De ironie van het lot kende geen grens: de raket kwam midden op het boerenland terecht waar in 1959 het Groninger gas was ontdekt.
De inslag ging gepaard met een enorme ontploffing. De dreun was tot ver in Friesland, Duitsland en het binnenland van Nederland te horen.
De effecten vielen nauwelijks in taal te vatten.
Bevingsmeters sloegen op hol en sprongen uit elkaar. Een enorme vuurzee verspreidde een allesvernietigende hitte, zowel op het land als in de bodem. De vlammen vonden de nabijgelegen gasputten. Deksels vlogen in de lucht, kranen smolten, transportpijpen scheurden. Het hongerige vuur sloeg over van winningslocatie naar winningslocatie, steeds opnieuw gevoed door aangetroffen aardgas. Allesverwoestend joeg het vuur door het Groningerland, hijgend op zoek naar levensadem. Alarmen gingen af, sirenes huilden. Metaal knalde op metaal, beton en asfalt scheurden. Zwarte opstijgende wolken blokkeerden de zon. Alle bouwwerken, waaronder de reeds door aardbevingen verzwakte huizen, kerktorens en boerderijen, vielen als dominosteentjes om.
Zeven dagen lang sloeg het vuur als een dolle om zich heen. Aan het einde, op de achtste dag, lagen de Ommelanden zwartgeblakerd en rokend op het sterfbed van economisch gewin. Slechts een handjevol bewoners had zich tijdig uit de voeten kunnen maken.
Van het Lauwersmeer tot aan de Dollard en van Drenthe tot aan het Wad begon de bodem, die door de gaswinning al sterk was verzakt, nog verder te dalen. Het vuur had al het gas uit het bodemgesteente gezogen, dat verpulverde en verdween. Er ontstond een diepe kom, die langzaam vol liep met het water van de Waddenzee en het Lauwersmeer. De verzwakte dijken begonnen te scheuren en konden geen bescherming meer bieden. Het water bluste sissend en kokend de verschroeide aarde.
Enkele weken later waren de laatste rook- en stoomwolken verdwenen. Een flauwig zonnetje reflecteerde op het water van de nieuwe baai, ingesloten door Friesland, Drenthe en Duitsland. Het water klotste lieflijk tegen de grenzen van de ongeschonden stad Groningen, die onlangs de nieuwe hoofdstad van Drenthe was geworden.
Groningen was verlost van het gas, en het land was verlost van Groningen.
Er viel niets meer te winnen – alles was verloren.
